
De Oost-Indische kers (Tropaeolum majus) komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, waar ze als vaste plant groeit. In ons klimaat is ze niet winterhard en wordt ze daarom als eenjarige plant geteeld. Ze vormt met de Tropaeolaceae een eigen plantenfamilie, waartoe geen andere gangbare moestuingewassen behoren. Dat maakt haar aangenaam ongecompliceerd in de vruchtwisseling.
Afhankelijk van het ras groeit Oost-Indische kers ofwel bossig en compact tot 20 à 30 cm hoog, of ze klimt en rankt tot wel 3 meter hoogte. De schildvormige bladeren zijn opvallend waterafstotend, en van juli tot de eerste vorst verschijnen stralende trechterbloemen in geel, oranje, rood en zelfs crèmewit. Haar geheim zit in de mosterdomelglycosiden, die antibacterieel en antiviraal werken. Niet voor niets werd ze in 2013 uitgeroepen tot medicinale plant van het jaar.
Het bijzondere: alle plantendelen zijn eetbaar. Bladeren, bloemen, stengels en zelfs de onrijpe zaden smaken kruidig-peperig, vergelijkbaar met tuinkers. In de tuin vervult de Oost-Indische kers meteen meerdere rollen tegelijk. Ze trekt bladluizen als een magneet aan en beschermt zo waardevolle naburige gewassen. Ze dient als levende mulchlaag en onderdrukt onkruid. En ondertussen lokken haar bloemen wilde bijen en hommels aan. Voor huisdieren is ze trouwens volledig onschadelijk.
Cijfers en gegevens
Plant- en oogsttijden van Oost-Indische kers
Direct zaaien van Midden Mei tot Midden Juli. Verplanten van Midden Mei tot Midden Juni. Voorzaaien ongeveer 45 dagen voor het uitplanten, ongeveer tussen Begin April en Eind April. Na een teeltperiode van 60 dagen kan de oogst beginnen rond Midden Juni en duurt tot Eind Oktober.
Oost-Indische kers zaaien en planten
Je kunt Oost-Indische kers zowel voorzaaien als direct buiten zaaien. Voor het voorzaaien begin je eind maart tot half april op de vensterbank. Leg twee tot drie zaden per pot op ongeveer 0,5 tot 1 cm diepte in de aarde. Bij 18 tot 21 °C kiemen ze binnen 7 tot 14 dagen. Als er meerdere zaailingen in dezelfde pot staan, verspeen je ze in het kiembladstadium. Vanaf half mei, na de ijsheiligen, mogen de jonge plantjes naar buiten verhuizen.
Voor het direct zaaien wacht je ook tot na de ijsheiligen, want de plant verdraagt geen vorst. De zaden gaan 1 tot 2 cm diep de grond in. Als donkerkiemers moeten ze met aarde bedekt worden. Houd de grond gelijkmatig vochtig, dan verschijnen de zaailingen na een goede week.
Klimmende rassen zijn blij met een klimsteun aan hekken of bamboestokken.
Standplaats en bodem
Oost-Indische kers houdt van een zonnige tot halfschaduwrijke plek. Hoe meer zon ze krijgt, hoe weelderiger ze bloeit, maar ze heeft dan ook beduidend meer water nodig. Op schaduwrijkere plekken vormt ze meer bladeren en minder bloemen.
De bodem moet los, doorlatend en niet te voedselrijk zijn. Een lemig-humeuze tuingrond is perfect. Zware grond maak je het best los met wat zand, en erg zanderige grond verbeter je met een portie rijpe compost. Wateroverlast is een echt probleem en leidt snel tot wortelrot.
Oost-Indische kers komt prima toe met weinig voedingsstoffen. Te veel stikstof werkt zelfs averechts, want dan schiet het bladwerk de hoogte in en blijven de bloemen uit.
Goede en slechte buren van Oost-Indische kers
Oost-Indische kers is een van de veelzijdigste partners voor mengteelt die je kunt vinden. Ze werkt bijzonder goed naast tomaten, omdat ze bladluizen en witte vliegen van de tomatenplanten afleidt en tegelijk als bodembedekker de grond vochtig houdt. Ook naast aardappelen doet ze het uitstekend: haar dichte bladerdek beschaduwt de grond tussen de rijen, en de scherpe geur zou zelfs de coloradokever in de war brengen.
Bij komkommers, courgettes en pompoenen vervult de Oost-Indische kers een heel praktische taak. Deze ondiepe wortelaars houden niet van schoffelen, en Oost-Indische kers als onderzaai maakt dat overbodig door onkruid simpelweg te onderdrukken. Naast wortelen zou ze de wortelvlieg op afstand houden.
Voorzichtigheid is geboden bij koolgewassen, vooral grootbladige soorten zoals witte kool, rode kool, bloemkool, broccoli, spruitjes of boerenkool. De mosterolieverbindingen van de Oost-Indische kers trekken het groot koolwitje aan, en de rupsen stoppen niet bij de naburige kool. Koolrabi zou hier geen last van hebben. Rucola, dille, kervel, koriander, peterselie en bieslook gelden ook als ongunstige buren.
Voorgangers en opvolgers van Oost-Indische kers
Aangezien de Oost-Indische kers het enige gangbare tuingewas uit de familie van de Tropaeolaceae is, ontstaan er in de vruchtwisseling geen typische problemen met familieziekten of bodemgebonden plaagdieren. Als lichte voeder laat ze een bodem achter die nauwelijks uitgeput is, en de afgestorven planten kun je in de herfst gewoon als mulch op het bed laten liggen.
De echte kracht van de Oost-Indische kers toont zich niet in de vruchtwisseling, maar tijdens het lopende tuinseizoen: als begeleidende plant die in hetzelfde bed beschermt, plaagdieren afleidt en nuttige insecten aantrekt.
Rassen
Bij de rassen zijn er twee grote groepen. De klimmende rassen zoals 'Jewel Mix' of 'Glorious Gleam' worden tot 2 meter lang en zijn perfect voor hekken, klimrekken of hangpotten. Wil je het nog weelderiger, kies dan voor de Kanarische Oost-Indische kers (Tropaeolum peregrinum), die zelfs tot 4 meter klimt en opvalt met gefranjerde gele bloemen.
Voor mengteelt in de moestuin zijn de bossige rassen de betere keuze, omdat ze de groenten niet overwoekeren. 'Empress of India' wordt slechts zo'n 30 cm hoog, heeft donker blad en felkarmozijnrode bloemen. 'Alaska' valt op door witgroen bont blad en is ook visueel een blikvanger.
Alle rassen van Tropaeolum majus zijn eetbaar. Wil je iets goeds doen voor bijen en hommels, kies dan voor enkelbloemige rassen, want gevulde bloemen bieden minder nectar.
Verzorging en bemesting
Door haar grote bladmassa heeft Oost-Indische kers flink wat dorst. Op zonnige plekken en warme dagen giet je het best dicht bij de grond en niet over de plant. In een pot kan het in de hoogzomer zelfs nodig zijn om twee keer per dag te gieten. Wateroverlast is het enige dat je echt moet vermijden.
In de moestuin heeft Oost-Indische kers geen extra bemesting nodig. Overbemesting met stikstof is de meest gemaakte fout en levert bergen blad op maar nauwelijks bloemen. In een pot volstaat een eenmalige gift langzaamwerkende meststof bij het planten.
Verwijder uitgebloeide bloemen regelmatig, dat bevordert de hergroei aanzienlijk. Als de plant te welig groeit en dreigt de naburige gewassen te overwoekeren, snoei je flink terug. Dat verdraagt ze zonder problemen. Voor potcultuur reken je op minstens 13 tot 15 liter potvolume en een drainagelaag van hydrokorrels op de bodem.
Ziekten en plagen
De bekendste eigenschap van de Oost-Indische kers in de tuin is haar inzet als vangplant voor bladluizen (Aphidoidea). Zwarte bonenluizen voelen zich haast magisch aangetrokken door de mosterolieverbindingen. De Oost-Indische kers lijdt nauwelijks onder de aantasting. In plaats daarvan lokken de aangetaste planten nuttige insecten aan zoals lieveheersbeestjes, zweefvliegen en gaasvliegen, die voor een natuurlijk evenwicht zorgen. De bladluisdruk is het sterkst in de vroege zomer.
Het groot koolwitje (Pieris brassicae) legt graag eitjes op de bladeren, wat problematisch kan worden als koolgewassen te dichtbij staan. Verzamel ei-afzettingen en rupsen het best met de hand.
Dankzij de mosterolieglycosiden werkt Oost-Indische kers afschrikkend op slakken, mieren en muizen. Witte vliegen (Trialeurodes vaporariorum) worden ook op afstand gehouden van naburige gewassen. De enige serieuze ziekte is wortelrot door wateroverlast, herkenbaar aan vergeling van de bladeren. Verder is de plant aangenaam robuust.
Oogst en verwerking
De bladeren van de Oost-Indische kers kun je al vier tot zes weken na het zaaien oogsten, en vervolgens het hele seizoen door. Jongere bladeren smaken milder, oudere krachtiger. De bloemen pluk je vanaf juni of juli tot de eerste vorst. Controleer de bloemen even snel op insecten. In de keuken zijn de bladeren een kruidig-pittige toevoeging aan salades, en ze passen goed in pesto, kruidenboter of kruidenkwark. Bloemen gevuld met roomkaas zijn een bijzondere lekkernij en ook visueel een lust voor het oog. Van de bladeren kun je een thee zetten die het immuunsysteem zou ondersteunen. De plant geldt als een van de krachtigste plantaardige antibiotica. Alles smaakt het best vers geplukt. Voor het bewaren zijn inmaken in azijn of aanzetten als kruidenolie het meest geschikt.